De foliebanen worden 50 à 60 mm overlaps
gelegd en worden vervolgens gelast met een
heteluchtlasautomaat.
De lasnaad heeft een breedte van 2 x 10
mm met een inwendig laskanaal van 10 mm.
De lasnaden worden door de aannemer geregeld
getest door middel van perslucht. Zowel
tijdens de werken en bij de oplevering worden
bijkomende testen van de laskanalen uitgevoerd
door een onafhankelijke keuringsinstelling.
Vanaf de bodem van de opslagplaats tot
op het maaiveldniveau wordt voor de laterale
afdichting dezelfde folie gebruikt.
De folie wordt aangelegd tegen de verticale
wanden en wordt bij de beëindiging verankerd
in een gleuf, gegraven in de bovenzijde
van de wand.
Op de bodem van de kuil, boven op de afsluitlaag
wordt een percolaat
drainagesysteem
aangebracht. Het drainagesysteem wordt in
visgraat aangelegd, in speciaal daartoe
ontwikkelde materialen.
De drainagebuizen hebben een diameter van
110 en 160 mm. De drains zijn 2/3 drainerend
en 1/3 afvloeiend. De te gebruiken buizen
hebben een maximale drukkracht van 0,6 Mpa
en kunnen weerstand bieden aan een belasting
van 300 tot 400 KN/m².
2b. De afdichtlaag
De afdichtlaag wordt geconstrueerd volgens
de voorschriften van Vlarem-II en bestaat
uit natuurlijke klei met een dikte van 0,5
m en een waterdoorlatendheid kleiner of
gelijk aan 1,10-9 m/s en HDPE
-structuurfolie
(2,5 mm).
2c. De eindafdek
De eindafdek bestaat uit een draineerlaag
en een bewortelingslaag met een totale dikte
van 1,5 meter.
De draineerlaag heeft tot doel het overtollig
neerslagwater dat door de afdichtlaag wordt
opgehouden, op een eenvoudige manier naar
de randen van de opslagplaats af te voeren.
Daarom wordt de eindafdek gerealiseerd met
een helling van minsterns 1% in het centrum
en progressief toenemend naar de rand van
de opslagplaats.
Zowel de draineerlaag als de bewortelingslaag
zijn opgebouwd uit goed doorlatend zand.
De bewortelingslaag is samengesteld uit
natuurlijk bodemmateriaal dat ter plaatse
aanwezig is.
De finale afwerking (beplanting) van het
hele gebied gebeurt onder controle van LNE,
afdeling Bos en Groen. De beplanting op
de afgewerkte opslagplaatsen toont aan dat
die werkwijze tot zeer goede resultaten
leidt.
2d. Tussenafdek
Om te voorkomen dat zwerfvuil zich verspreidt
buiten de opslagplaatsen worden deze afgedekt
met een laag tussenafdekmaterialen.
Om de beschikbare verwerkingsruimte zo
economisch en ecologisch mogelijk te gebruiken,
wordt voor de tussenafdek gebruik gemaakt
van geschikte afvalstoffen.
3. Bijkomende milieubeschermende maatregelen
bij de exploitatie van de opslagplaats
- Voor de aanvang van de opslagactiviteiten
wordt rond het geheel van de opslagterreinen
een dijk aangelegd, zodat er geen oppervlaktewater
kan afvloeien van en naar de opslagplaats.
De dijk functioneert ook als groenscherm.
- Het overtollig niet-verontreinigde regenwater
of afvloeiwater wordt opgevangen en afgevoerd.
- De afwatering van beëindigde opslagvakken
gebeurt zo, dat het regenwater zonder
verontreinigd te worden gravitair kan
afvloeien.
- Ter controle van de grondwaterkwaliteit
zijn er peilputten aangelegd per watervoerende
laag die door de activiteiten zou kunnen
worden beïnvloed.
- Het percolaat
wordt gezuiverd in de bestaande waterzuiveringsinstallatie.
- Rustverstorende werkzaamheden vinden,
tenzij bij overmacht, niet plaats op zon-
en feestdagen en op de werkdagen tussen
18:00 h en 07:00 h.
- Het zwerf- en waaivuil langs de omheining
en de beplanting wordt dagelijks verwijderd.
Er is 24 uur per dag controle op en rondom
de opslagplaats om zwerfvuil te vermijden
en sluikstorten te voorkomen.
- Het personeel beschikt over schriftelijke
instructies om brand en rookontwikkeling
te bestrijden en te voorkomen.
|