B.O.S.
BioEnergy
Bosatec
Copiulemu
Dinh Vu
Ecomac
Ecomac Estland
Hidronor
Marpobel
 
 
 
Remo
 Homepage
 Bedrijfsinfo
 Contact Info
 Activiteiten
 Opslagplaatsen
 Controle
 Procedure
 Eco-Valley
 Info Aanvraag
 Nuttige Links
 Stortaanvraag
  Activiteiten

1. Algemene beschrijving

De zandwinning gebeurt gefaseerd. De ontgronding verloopt in de volgorde die vooraf werd vastgesteld in een goedgekeurde werkplan. De eigenlijke ontginning gebeurt met kranen, wielladers en dumpers. Aan de terreingrenzen wordt een omheining geplaatst. Per fase wordt de teelaarde en de dekgrond afzonderlijk afgegraven. De teelaarde wordt apart opgeslagen. De dekgronden worden gedeeltelijk gebruikt voor de aanleg van een stortdijk rond de opslagplaats. Zo worden afvalstoffen afgeschermd tegen verwaaiing en blijft de visuele impact van de opslagplaats tot een minimum beperkt.

De teelaarde en de resterende dekgrond worden, na het stopzetten van de activiteiten, gebruikt bij de afwerking van de opslagplaats.

De exploitatie van de opslagplaats gebeurt eveneens in fasen.


Elke fase kent een zelfde verloop:
  • Inrichten opslagvakken.

  • Eigenlijke opslagactiviteit.

  • Afwerken van de opgevulde opslaglocaties.

De volgende uitvoeringsvormen worden toegepast:

2. Opslagtechniek

Bij de inrichting en de afwerking van de opslagplaats worden de volgende afschermende lagen aangebracht:

Inrichten vakken.

  • Afsluitlaag: ter voorkoming van doorsijpeling van percolaat door de bodem en de wanden van het terrein.

  • Afdichtlaag: laag op de vakken, waar de activiteiten beëindigd zijn en die het binnendringen van water in de massa moet beletten.


  • Eindafdek: laag op de afdichtlaag bij de definitieve beëindiging van de activiteiten.

  • Tussenafdek: bodemmaterialen of geschikte afvalstoffen voor reguliere afdek van afvalstoffen.

2a. Afsluitlaag

De afsluitlaag bestaat uit ondoorlatende klei die voorkomt op een diepte van 7 à 10 tot 30 meter onder maaiveld. Op de klei wordt een laag extern aangevoerde klei en een HDPE -kunststoffolie met een dikte van 2,5 mm gelegd.

Het elektronisch lekdetectiesysteem Geologer System wordt aangebracht vlak onder de HPDE-folie.

Het meetprincipe van het Geologger System bestaat erin dat via sensoren die onmiddellijk onder de opslagplaats gelegd worden de spanning gemeten wordt tussen een negatieve elektrode die in de grond naast de opslagplaats geplaatst wordt en een positieve elektrode die in de opslagplaats in het afval geplaatst wordt. Onmiddellijk na installatie van de HDPE-folie wordt ter hoogte van de verschillende sensoren het spanningsveld gemeten. Dit resulteert in een overzichtskaart met equipotentiaallijnen. Verstoringen in deze equipotentiaallijnen kunnen het gevolg zijn van beschadigingen van de folie. Ter hoogte van dergelijke beschadigingen kunnen immers “kortsluitingen” ontstaan. Indien dergelijke anomalieën vastgesteld worden, dient nagegaan of de folie effectief beschadigd is en zo ja, dient deze hersteld.

De metingen worden in de tijd herhaald. Een eerste meting heeft dus plaats nadat de folie gelegd is, om na te gaan of tijdens het leggen van de folie geen schade is opgetreden.

Een tweede meting gebeurt na het aanbrengen van 2 m afval.

Een derde controle geschiedt wanneer ongeveer 4 m afval aangebracht is.

De vierde controlemeting bij volledige afwerking van de opslagplaats.

Kenmerken van de kunsstoffolie:

- Materiaal: HDPE .
- Afmetingen: rollengte: tot 80 m, breedte: 7,5 m, dikte: 2,5 mm
- Technische eigenschappen:
GEGEVEN NAAR DIN-NORM EENHEID WAARDE
Soortelijke massa 53 479 G/cm³ 0,95
Hardheid (shore "D") 53 505 Shore D 59
Treksterkte 53 455/5 N/mm² 24
Trekspanning 53 455/5 N/mm² 20
Breukrek 53 455/5 % >600
Elasticiteitsmodulus 53 457 N/mm² 800
Scheurweerstand 53 515 N/mm² 150
Trekslagsterkte 53 488 KJ/m² 350
Wateropname 53 472 % < 0,05
Lengteverandering
bij verhoogde
temperatuur
NEN 3056 % < 1,5
Kleur Zwart
Chemische bestendigheid Zeer goed
Verrottingsbestendigheid Goed
U.V.-bestendigheid Optimaal
Bestendigheid tegen dierknaag
(labo- en veldtest)
Bestendig
Bestendigheid tegen micro-organismen
(12 maanden graaftest)
Bestendig
Bestendigheid tegen worteldoorgroei
(DIN 4062/4038)
Bestendig
Toxicologische samenstelling Onverdacht


De foliebanen worden 50 à 60 mm overlaps gelegd en worden vervolgens gelast met een heteluchtlasautomaat.

De lasnaad heeft een breedte van 2 x 10 mm met een inwendig laskanaal van 10 mm.

De lasnaden worden door de aannemer geregeld getest door middel van perslucht. Zowel tijdens de werken en bij de oplevering worden bijkomende testen van de laskanalen uitgevoerd door een onafhankelijke keuringsinstelling.

Vanaf de bodem van de opslagplaats tot op het maaiveldniveau wordt voor de laterale afdichting dezelfde folie gebruikt.

De folie wordt aangelegd tegen de verticale wanden en wordt bij de beëindiging verankerd in een gleuf, gegraven in de bovenzijde van de wand.

Op de bodem van de kuil, boven op de afsluitlaag wordt een percolaat drainagesysteem aangebracht. Het drainagesysteem wordt in visgraat aangelegd, in speciaal daartoe ontwikkelde materialen.

De drainagebuizen hebben een diameter van 110 en 160 mm. De drains zijn 2/3 drainerend en 1/3 afvloeiend. De te gebruiken buizen hebben een maximale drukkracht van 0,6 Mpa en kunnen weerstand bieden aan een belasting van 300 tot 400 KN/m².

2b. De afdichtlaag

De afdichtlaag wordt geconstrueerd volgens de voorschriften van Vlarem-II en bestaat uit natuurlijke klei met een dikte van 0,5 m en een waterdoorlatendheid kleiner of gelijk aan 1,10-9 m/s en HDPE -structuurfolie (2,5 mm).

2c. De eindafdek

De eindafdek bestaat uit een draineerlaag en een bewortelingslaag met een totale dikte van 1,5 meter.

De draineerlaag heeft tot doel het overtollig neerslagwater dat door de afdichtlaag wordt opgehouden, op een eenvoudige manier naar de randen van de opslagplaats af te voeren. Daarom wordt de eindafdek gerealiseerd met een helling van minsterns 1% in het centrum en progressief toenemend naar de rand van de opslagplaats.

Zowel de draineerlaag als de bewortelingslaag zijn opgebouwd uit goed doorlatend zand.

De bewortelingslaag is samengesteld uit natuurlijk bodemmateriaal dat ter plaatse aanwezig is.

De finale afwerking (beplanting) van het hele gebied gebeurt onder controle van LNE, afdeling Bos en Groen. De beplanting op de afgewerkte opslagplaatsen toont aan dat die werkwijze tot zeer goede resultaten leidt.

2d. Tussenafdek

Om te voorkomen dat zwerfvuil zich verspreidt buiten de opslagplaatsen worden deze afgedekt met een laag tussenafdekmaterialen.

Om de beschikbare verwerkingsruimte zo economisch en ecologisch mogelijk te gebruiken, wordt voor de tussenafdek gebruik gemaakt van geschikte afvalstoffen.

3. Bijkomende milieubeschermende maatregelen bij de exploitatie van de opslagplaats

  • Voor de aanvang van de opslagactiviteiten wordt rond het geheel van de opslagterreinen een dijk aangelegd, zodat er geen oppervlaktewater kan afvloeien van en naar de opslagplaats. De dijk functioneert ook als groenscherm.

  • Het overtollig niet-verontreinigde regenwater of afvloeiwater wordt opgevangen en afgevoerd.

  • De afwatering van beëindigde opslagvakken gebeurt zo, dat het regenwater zonder verontreinigd te worden gravitair kan afvloeien.

  • Ter controle van de grondwaterkwaliteit zijn er peilputten aangelegd per watervoerende laag die door de activiteiten zou kunnen worden beïnvloed.

  • Het percolaat wordt gezuiverd in de bestaande waterzuiveringsinstallatie.


  • Rustverstorende werkzaamheden vinden, tenzij bij overmacht, niet plaats op zon- en feestdagen en op de werkdagen tussen 18:00 h en 07:00 h.


  • Het zwerf- en waaivuil langs de omheining en de beplanting wordt dagelijks verwijderd. Er is 24 uur per dag controle op en rondom de opslagplaats om zwerfvuil te vermijden en sluikstorten te voorkomen.

  • Het personeel beschikt over schriftelijke instructies om brand en rookontwikkeling te bestrijden en te voorkomen.